Tweede verblijven in de vennootschap

24 december 2014 Tweede verblijven in de vennootschap

Vennootschappen kopen of bouwen nogal eens een woonhuis die ze vervolgens ter beschikking stellen aan de zaakvoerder om er met zijn gezin te wonen. De vennootschap neemt dan de kosten in verband met dit gebouw (afschrijvingen, intresten…) fiscaal in aftrek en in ruil voor de terbeschikkingstelling wordt er een voordeel van alle aard aangerekend.

Wanneer de vennootschap echter een tweede verblijf aankoopt dat als buitenverblijf van de zaakvoerder dienst doet, ligt de fiscus op de loer. Recentelijk zijn er twee uitspraken van het hof van beroep gepubliceerd die de fiscus gelijk geven om de kosten te verwerpen van de buitenverblijven voor de zaakvoerder.

Het hof van Antwerpen oordeelde dat het appartement aan de kust geen rechtstreeks of onrechtstreeks verband hield met het maatschappelijk doel van de vennootschap, ook al liet het doel ‘onroerende verrichtingen’ toe. Ook het hof van beroep van Gent oordeelde dat het tweede verblijf niet te beschouwen was als “inherent aan de uitoefening van de activiteit”. Ook het argument dat het appartement een bijkomende verloning voor de zaakvoerder zou zijn, waarvoor hem een belastbaar voordeel van alle aard wordt aangerekend, wijst het hof af.