Rekening Courant vs geldlening

23 maart 2012 Rekening Courant vs geldlening

Intresten van «voorschotten» die een bedrijfsleider aan zijn vennootschap toestaat, kunnen geherkwalificeerd worden in dividenden (art. 18 lid 1, 4° WIB 92). Maar dan alleen als er sprake is van een geldlening.

Een herkwalificatie van interesten in dividenden impliceert dat de vennootschap 25 % in plaats van 15 % roerende voorheffing verschuldigd is. Voorts zijn die geherkwalificeerde interesten niet langer fiscaal aftrekbaar en ze maken bijgevolg deel
uit van het fiscaal resultaat. Als daardoor het fiscaal dividend meer bedraagt dan 13 % van het fiscaal gestort kapitaal, brengt dat bovendien een uitsluiting van het verlaagd tarief in de vennootschapsbelasting met zich mee, met een hogere vennootschapsbelasting als gevolg.

Uit recente cassatiearresten kan worden afgeleid in welke gevallen er kan besloten worden tot het bestaan van een geldlening. Alles lijkt af te hangen van de concrete feiten. De belastingwet bevat geen definitie van een geldlening. Conform het gemeen recht impliceert een geldlening dat er een overhandiging van geld is geweest.

Het Hof van Cassatie oordeelde dat een geldlening de vorm «kan» aannemen van een inschrijving op rekening-courant, maar dergelijke inschrijving impliceert niet noodzakelijk het bestaan van een geldlening.

Voor het eerst stelt Cassatie uitdrukkelijk dat het de fiscus is die, als hij artikel 18 van het WIB 92 wil toepassen, de bewijslast draagt van het feit dat de overeenkomst die aan de schuld ten grondslag ligt, een geldlening uitmaakt.

In het Cassatiearrest van 2 december 2010 werd een overnameprijs als rentegevende schuld op de vennootschap geboekt in rekening-courant.
Cassatie constateert dat het hof van beroep van Bergen heeft vastgesteld dat de vennootschap de overdrachtsprijs periodiek aflost (waarbij de aflossingen op het debet van de rekening-courant worden geboekt onder de rubriek «opnemingen») en dat uit het verslag van de bedrijfsrevisor blijkt dat de zaakvoerder aan de vennootschap uitstel van betaling toekende totdat haar financiële situatie de betaling mogelijk maakt.

Cassatie stelt verder vast dat het hof van Bergen oordeelde dat het uitstel van betaling een zeer lange termijn beslaat aangezien er na meer dan acht jaar nog steeds een saldo van de overnameprijs
open stond. Gelet op de beperkte kapitalisatie van de vennootschap, het bedrag van de aflossingen en de afwezigheid van voldoende gereserveerde fondsen, was het volgens het hof van beroep van in het begin duidelijk dat de vennootschap gedurende verschillende jaren niet over voldoende financiële middelen zou beschikken om de zaakvoerder te kunnen betalen.

Daaruit kon het hof van beroep volgens Cassatie terecht afleiden dat «partijen in werkelijkheid de bedoeling hadden gelden te lenen aan de vennootschap» en dat «de rechtshandeling van deze fondsen blijkt uit hun boeking in rekening-courant».