Nieuwe fiscale en sociale maatregelen op het vlak van deeleconomie

09 september 2016 Nieuwe fiscale en sociale maatregelen op het vlak van deeleconomie

In juni en juli is er wetgeving gepubliceerd met betrekking tot de fiscale behandeling van de zogenaamde “deeleconomie”. Deze heeft ook invloed op het sociaal statuut van zelfstandigen. Hieronder schetsen wij de gevolgen van deze nieuwe regelgeving op beide vlakken.

Waarover gaat het?
De nieuwe regels hebben betrekking op de inkomsten die door natuurlijke personen verkregen worden als gevolg van hun deelname aan de deeleconomie. Met deeleconomie wordt het volgende bedoeld:
“Gezamenlijke creatie, productie, distributie, handel en consumptie van goederen en diensten.” De distributie van deze goederen moet gebeuren via een door de overheid erkend of georganiseerd online platform. Als voorbeelden worden platformen als Uber, maar ook CarAmigo (voor autodelen), gebruikt. Inkomsten verkregen uit deze activiteiten vallen in beginsel onder het nieuwe regime.

Gezien deze inkomsten beroepsinkomsten noch diverse inkomsten zijn, en dus niet aangegeven zijn, zijn ze niet belast. Het is duidelijk dat dit oneerlijke concurrentie oplevert voor ondernemers die gelijkwaardige diensten leveren maar die wel volledig belast worden op dergelijke activiteiten.

In het nieuwe stelsel worden deze activiteiten belast aan een tarief van 20%. Wel mag men forfaitair een kostenaftrek van 50% toepassen. Werkelijke kosten bewijzen is niet toegelaten. Bovendien gaat de regering er van uit dat in de deeleconomie in principe enkel goederen uit het privévermogen gebruikt zullen worden, zodat de kosten niet op eenvoudige wijze bepaald kunnen worden. Effectief worden deze inkomsten dus belast aan een tarief van 10%.
Er zijn enkele voorwaarden om aan dit stelsel te voldoen:

1. Het is van belang dat de diensten enkel aan particulieren geleverd worden;
2. De diensten mogen ook geen verband houden met een bestaande beroepsactiviteit van de aanbieder als zelfstandige (of van de vennootschap waarvan hij bedrijfsleider is) (eventueel in het vorige jaar). De vraag is wat begrepen moet worden “dezelfde activiteit” en een “andere activiteit;”
3. De dienstverlening moet via het erkende platform verlopen. De aanbieder mag bijvoorbeeld alleen betaald worden via dat platform. Als identiek dezelfde diensten ook buiten het platform aangeboden worden, valt men voor alle activiteiten buiten het stelsel en worden al deze inkomsten samen aanzien als beroepsinkomsten;
4. Het nieuwe regime geldt alleen voor inkomsten beneden een drempel van € 5.000 (geïndexeerd – het te indexeren basisbedrag is € 3.255). Gezien het stelsel pas inwerking is getreden op 1 juli van dit jaar, geldt voor de laatste zes maanden van 2016 een drempel van € 2.500. Voor 2017 bedraagt het geïndexeerde grensbedrag € 5 100,00. Verdient men meer dan dit bedrag dan valt het totaalbedrag (ook het deel beneden de drempel) als beroepsinkomsten in de gewone progressieve tarieven. Ook zijn dan sociale bijdragen verschuldigd. Eén euro te veel verdienen leidt aldus tot een bijkomende kost van bijna € 800. Het is aan de belastingplichtige om te bewijzen dat het géén beroepsinkomsten betreft. Dit is een omkering van de bewijslast.

Om te bepalen of de drempel overschreden is, moet men ook rekening houden met de kosten die het platform aanrekent aan de aanbieder en met eventuele bijkomende lasten, zoals een toeristenbelasting. Het is denkbeeldig dat men met een belastbaar inkomen van bijvoorbeeld € 4.000 toch al boven de drempel uitkomt, doordat er € 1.000 bijkomende kosten zijn.

De belasting wordt onder de vorm van een bronheffing ingehouden door het platform zelf. Het platform moet jaarlijks ook fiches opmaken. De voorheffing werkt overigens niet bevrijdend waardoor het inkomen nog altijd in de PB-aangifte van de dienstverlener vermeld moet worden. De bijkomende kosten maken geen deel uit van de belastbare basis (en er wordt geen voorheffing op ingehouden).

Welke activiteiten vallen onder deze regeling?
Wij wensen te vermelden dat twee belangrijke categorieën niet onder de regeling vallen. Het betreft leveringen van goederen en verhuur van goederen. De (occasionele) verkoop van tweedehandsspullen is in principe een normaal beheer van privévermogen. Dit is niet belastbaar.
De grens tussen verkoop en dienstverlening is echter niet altijd duidelijk. Zo valt de belastingplichtige die voedselpakketten levert buiten het nieuwe regime. Maar wie maaltijden bereidt met dat voedsel en die aanbiedt via het internet, valt er wel onder.

Het louter verhuren van kamers komt evenmin in aanmerking voor het nieuwe stelsel. Activiteiten als Airbnb vallen er bijgevolg op het eerste gezicht buiten. Maar wie bijkomende diensten aanbiedt – zoals het schoonmaken van de kamers en het klaarmaken van een ontbijt – valt voor deze geleverde diensten wel onder dit stelsel. Wanneer er geen afzonderlijke prijs is bepaald, wordt er een wettelijke forfaitair opsplitsing gemaakt worden. volgens de wet wordt 20 % van de totaalprijs wordt geacht overeen te stemmen met de bijkomende diensten.
In vergelijking met de oude situatie houdt dit een aanzienlijke belastingbesparing in, aangezien de bijkomstige diensten niet meer als beroepsinkomsten in de progressieve tarieven vallen.

Btw
Wie onder de nieuwe regeling valt, is ook vrijgesteld van btw en hoeft geen btw-formaliteiten te vervullen, wanneer de plaats van de dienst België is (een rit van Brussel naar Parijs valt er dus niet onder), en de diensten niet te maken hebben met de hoofdactiviteit van de belastingplichtige.

Aanpassingen sociaal statuut
De wetgever past daarnaast het sociaal statuut van de zelfstandigen aan om rekening te houden met dit stelsel.

Personen die vallen onder stelsel, zijn vrijgesteld van sociale bijdragen. Bij overschrijding worden alle inkomsten beschouwd als gewoon beroepsinkomen en is deze persoon onderworpen aan het sociaal statuut van de zelfstandigen.

Als het gaat om een werknemer, en hij overschrijdt het grensbedrag, dan wordt zijn activiteit uit de deeleconomie beschouwd als een zelfstandige activiteit in bijberoep. En als die werknemer niet minstens halftijds werkt, moet hij zich aansluiten als zelfstandige in hoofdberoep. In beide gevallen zijn de sociale bijdragen voor zelfstandigen verschuldigd op alle inkomsten uit de deeleconomie.

Wie onder het stelsel valt, moet zich niet inschrijven bij de Kruispuntbank van Ondernemingen (KBO).

Ondanks dat de regeling met het oog op de concurrentieverstoring welgekomen is, en op het eerste gezicht eenvoudig lijkt, rijzen er toch nog een aantal vragen. Zo kan men zich de vraag stellen waarom bij overschrijding van het grensbedrag alle inkomsten als beroepsinkomsten worden aanzien, en is de afbakening van het stelsel, zoals in ons voorbeeld van de voedselpakketten of de kamerverhuur al dan niet met ontbijt, niet altijd even helder. Om dit onderscheid te bewaken komt er een administratieve last bij voor de belastingplichtige. Dat het systeem werkt met een voorheffing is wel toe te juichen, gezien de inning automatisch geschiedt.

MEER INFO?

Artikel: Interne meerwaarden op aandelen. Wat nu?